Mijn verhaal

image001Niets in dit verhaal kan, noch zal, ooit herhaald kunnen, noch moeten worden. Elke poging om uit dit verhaal op welke manier dan ook profijt te halen voor de ‘spirituele zoeker’ is gelukkig volstrekt zinloos.

In 1990 eindigde, na 24 jaar, het zoeken naar Waarheid, geïnspireerd door met name Bhagavan Sri Ramana Maharshi, Sri Nisargadatta Maharaj, Vimala Thakar, Jiddu Krishnamurti, Osho en U.G. Krishnamurti, met een Inzicht dat mijn leven ingrijpend veranderde.

Na jaren vanuit dit Inzicht geleefd te hebben, begon ik, nadat duidelijk gebleken was dat het de ‘test van het dagelijkse leven’ kon doorstaan, dit Inzicht aan anderen door te geven, tijdens bijeenkomsten die ik ‘Wakker Worden’ noemde.

In de zomer van 1993 ontstonden er, door een hoofdletsel, forse geheugenstoornissen die het functioneren in het dagelijkse leven ingrijpend verstoorden. Ik had door die geheugenstoornissen elk houvast verloren, wist vaak niet meer wat ik gezegd of gedaan had, kon de meest simpele dingen niet meer vinden, ik raakte alles kwijt. Het is nogal griezelig niet meer op je geheugen te kunnen bouwen en vertrouwen. Geleidelijk aan ontdekte ik gelukkig dat zolang ik maar niet vertrouwde op de mind, maar ‘raadde’, mijn intuïtie gebruikte, ik wel heel redelijk kon functioneren. Ik wíst niet meer waar ik iets had neergelegd, maar kon het soms nog wel raden. Ik leerde te voelen in plaats van te denken.

De ‘realisatie’ werd er niet door aangetast.

December 1997 viel ik, zonder aanleiding of reden, in een “diep zwart gat”. Ik had het gevoel in een grenzeloos en beangstigend ‘niets’ op te lossen’. Hoewel ik daar vroeger jaren naar had gestreefd en zelfs naar had verlangd, bleek dit ‘niets’ juist mijn grootste en diepste angst te zijn: de controle te verliezen en niet meer te bestaan…
Dit was niet het ‘warme liefdevolle Niets’ dat ik uit mijn meditaties kende en waaraan ik mij graag over gaf, waar ik mij heerlijk in kon laten wegzinken, maar een ongevoelige, zelfs vijandige lege leegte, waarin niets bestond en waarin ik niet kon bestaan.

Ik had sinds ‘de realisatie’ in 1990 het gevoel gehad dat ik elke sensatie, gedachte of gevoel in me kon toelaten. En tot op dat moment kon ik dat ook. Ik kon moeiteloos ‘loslaten’, ‘observeren’, ik kon me volledig en totaal overgeven aan wat er gebeurde, ik was immers de ‘Waarnemer’. Die laatste 7 jaar, sinds de ‘realisatie’, had ik dag en nacht geleefd als de Waarnemer, als Kennendheid. Ik wás Waarnemendheid, ik was ‘Dat’ waar alles in verscheen en weer in verdween.

Opeens werd ik geconfronteerd met iets dat veel ‘groter’ bleek dan al mijn ervaringen, al mijn inzichten en groter dan mijzelf. Ik kon altijd redelijk goed tegen pijn. Ooit had ik eens een pijn gehad die ‘te groot’, te ondraaglijk voor mij was. Dit was net zo iets. Dit kon ik niet meer hanteren, al mijn intelligentie, kunde, inzichten, vermogen tot ‘waarnemen’, alle trucjes werden uit de kast gehaald, maar niets hielp. Het ‘ikje’ en het geloof erin, waarvan ik had verwacht en gedacht dat ze voorgoed verdwenen waren, zaten weer volledig in het zadel, op de voorgrond en hielden de touwtjes weer krampachtig in handen.
Dit was het faillissement van alles wat ik was en kon, dacht te kunnen, van alles wat ik gevonden, geleerd en ‘bereikt’ had. Wat overbleef was een diepe ondraaglijke angst. Angst om op te lossen, angst om te sterven, angst om te leven. Een beklemmend gevoel van afgescheiden zijn, eenzaamheid, hulpeloosheid en wanhoop.
Nooit in mijn leven had ik zo’n allesomvattende angst ervaren. Van de Ad die dacht anderen iets te kunnen meegeven, leren, helpen was niets meer over.
Niemand begreep wat er met me gebeurde, ikzelf al helemaal niet. Deze toestand duurde maanden. Gelukkig niet elk moment even intens. De nachten waren het ergste. Dan werd ik steeds weer opnieuw in die vijandige diepte, zonder enig houvast, gesleurd. Ik was bang om gek te worden. Ik kon dit niet aan. Het enige verlangen dat nog overbleef, was een einde aan mijn leven te maken. Ik werd innerlijk verscheurd tussen de liefde voor mijn vrouw en kinderen en een diep verlangen naar de dood.

Omdat ik van nabij had meegemaakt hoe het is als je vader jarenlang suïcidaal was, rustte bij mij op zelfdoding een groot taboe. Dat kon ik mijn gezin niet aandoen. Vaak zat ik urenlang, midden in de nacht, beneden in de woonkamer op een stoel, waar ik mij krampachtig aan vasthield. Ik wist dat als ik die stoel los zou laten, ik me zou ophangen.

Ook al zag ik er absoluut geen heil in, toch ging ik naar een psycholoog. Ik kon hem niet duidelijk maken wat er met me gebeurde en we dachten allebei dat het een ‘depressie’ was. Ook verdiepte ik mij in mijn verleden, iets wat ik nooit echt had gedaan, om te kijken of daar de oorzaak van mijn angsten lag. ‘Spiritualiteit’ had inmiddels volstrekt voor mij afgedaan. Ik had immers, in mijn arrogantie of onschuld, gedacht dat ik al ‘Verlicht’ was. Al die guru’s bleken daarom nu voor mij leugenaars te zijn, of mensen die, net als ik, zichzelf voor de gek hielden.

Zelfs ‘loslaten’ bleek een illusie, een leugen te zijn: als het er werkelijk om ging, werd loslaten onmogelijk. Wie kan in Godsnaam, wanneer je boven een afgrond hangt, onder het mom van ‘je overgeven’ of ‘loslaten’, het enige takje loslaten waar je nog houvast aan hebt? Je kunt dan alleen maar, zelfs tegen beter weten in, verkrampen. Ik geloofde nergens meer in en was volstrekt hopeloos. Ik stond naakt tegenover het leven dat me genadeloos vermorzelde.

Eind oktober 1998 liep ik doelloos door het centrum van Arnhem en uit verveling bezocht ik de leeszaal van de bibliotheek, waar ik in geen jaren was geweest. Ik had nog steeds elke belangstelling voor ‘spirituele zaken’ verloren. Ik vond dat allemaal ‘bullshit’  en uitsluitend geschikt voor mensen die zichzelf of anderen voor de gek hielden.

Toen ik dat yogablaadje zag voelde ik alleen maar medelijden met de mensen die zich met dat soort zaken nog steeds bezig hielden. Ik opende dat blad om eens te kijken wat ‘mensen die de Waarheid in pacht menen te hebben’ tegenwoordig nog te vertellen hadden. Al bladerend kwam ik bij een artikel terecht van een zekere Marianne. Ik vond het, in mijn depressieve stemming, ronduit waardeloos wat ze schreef, ze verwoordde immers wat ik zelf ook vóór mijn ‘depressie’ aan anderen had verteld. Het vreemde was, dat ik toch haar telefoonnummer opschreef. Diezelfde middag belde ik haar op. Vraag me niet waarom, misschien was het om met iemand te praten die dezelfde ‘achtergrond’ had als ik. Marianne nodigde me uit om een paar dagen later op haar vakantieadres in Lage Vuursche langs te komen.

Toen ik er 27 november 1998, heen reed, baalde ik van mijzelf dat ik zo stom was om naar die Marianne te gaan. Ik hield mezelf voor dat het geen verloren tijd was, omdat ik nog steeds op zoek was naar een geschikte plek om mezelf dood te rijden. Zo’n plek is moeilijk te vinden: ik wilde niet dat er andere slachtoffers bij vielen en het moest op een ongeluk lijken. Ook wilde ik niet dat de mensen die achter bleven zouden weten dat ik zelfmoord had gepleegd.

Marianne vertelde me niets nieuws. Wel was er even een moment waarop ze me diep in de ogen keek en alle gedachten even stil stonden. Maar die stilte was voor mijn gevoel niets bijzonders en was ook zo weer voorbij. Niet echt teleurgesteld reed ik weer naar huis. Ik had er toch al niets van verwacht en Marianne had mijn verwachtingen, dat al dat spirituele gedoe onzin was, weer bevestigd. Ik besloot om me nooit meer in mijn leven met spiritualiteit bezig te houden. De allerlaatste poging om nog ergens hulp te zoeken of te vinden, was op niets uitgelopen. En daar had ik, voor zover als dat kon, vrede mee.

Ik hield niet van autorijden en al helemaal niet op een snelweg. Er zat een treuzelaar voor me en opeens viel het me op dat ik me er helemaal niet over opwond. Opeens was ‘Het’ er. Elk spoor van ‘depressie’, angst en verlammende negativiteit was plotseling volledig verdwenen. Wat overbleef was een ongekend diepe Vrede. Alles bleek ondergedompeld in een onbeschrijfelijke Kalmte, die alles omvatte: mijn lichaam, de auto, de snelweg, het landschap, de horizon en ver, ver daarbuiten. ‘Ik’ zelf was afwezig, maar toch was alles meer ‘mij’ dan ik me ooit ‘mij’ had gevoeld. Zelfs de auto’s op de snelweg leken te leven, alles was Levend en werd be-Leefd, maar niet door een ‘mij’.

Het diepe besef van Eenheid en centrumloosheid was overweldigend.

Elk geluid, elke waarneming, elk gevoel was een intieme ontmoeting met iets Onnoembaars. Het verleden, de toekomst, zelfs het nu, inclusief alle angsten, alle oude pijn en verlangens, waren in deze Liefdevolle Aanwezigheid, waarin ‘ik’ volledig afwezig was, gereduceerd tot minder dan een echo.

Mijn lichaam en mind reageerden volkomen adequaat op alles wat zich op de snelweg afspeelde. Dit was absoluut geen trance, dit was het summum van scherpte, helderheid en zekerheid in elke beweging die ik maakte. Er was geen enkele blijdschap of verbazing over wat er gebeurde of hoe het was. Alles was in feite normaler dan normaal, alles was Natuurlijk.

Niets werd verwoord, niets werd beschreven. De woorden die ik nu gebruik, kwamen veel later. Je mag ze zien als een concessie om een gat in een verhaal op te vullen. Toen ik thuis aankwam, kon ik Dit op geen enkele manier communiceren, noch had ik daar enige behoefte aan. Alles was zo normaal en vanzelfsprekend en die Stilte was zo intens dat zelfs de mogelijkheid om hier iets over te zeggen niet eens in me op kwam. Mijn vrouw en de kinderen waren door de ‘depressie’ gewend dat ik niet veel zei en me terugtrok, daarom kon ik zonder iets te hoeven uitleggen direct naar mijn slaapkamer gaan. Liggend in bed ging Dit de rest van de dag en nacht maar door en door en door.

Er was een wezenlijke verschuiving opgetreden: de angstaanjagende lege leegte die mij steeds probeerde te elimineren, was door de spontane afwezigheid van een centrum een Liefdevolle Grenzeloze Aanwezigheid van MijZelf geworden. Af en toe kwam even de gedachte op of ik zo wel zou kunnen functioneren, maar ook die gedachte verdween in Dat waaruit die gedachte opgekomen was. De volgende ochtend zorgde de wekker ervoor dat ik opstond en me aankleedde, het ontbijt maakte en naar mijn werk ging. Alles gebeurde als op een doodgewone dag en het was ook een doodgewone dag. Het enige ‘verschil’ was dat er nu geen ‘doener’ meer was die alle activiteiten kon claimen. Er was alleen maar Eenheid, Stilte, Liefde en Aanwezigheid. Elke gedachte, gevoel, gebaar, impuls, persoon, voorwerp, of ding waar de aandacht naar toe ging, werd beleefd vrij van strijd, vrij van willen, vrij van dwang, vrij van controle. Niet ‘ik’ was bevrijd en vrij, maar alles was bevrijd en vrij, van ‘mij’. Leven bleek niets anders te zijn dan een mysterieuze beweging van moeiteloze liefdevolle spontaniteit.

Hoe beschrijf je het Onbeschrijfelijke?

Maandenlang koesterde en heelde die Stille Vrede mijn getergde lichaam en geest.

Tot mijn grote teleurstelling bleek die ervaring van Vrede niet constant te zijn, maar wisselde regelmatig van intensiteit. Wanneer die Vrede minder werd en zeker wanneer die bijna volledig verdween, manifesteerde het ‘ík’ en het geloof erin zich weer en begon dat ‘ík’ steeds weer, tegen beter weten in, wanhopig zijn hele trukendoos te gebruiken om die ervaring terug te krijgen. Dat ‘ik’ voelde dan de hete adem van die ‘depressie’ weer in zijn nek, waardoor dat ‘ik’ nog wanhopiger graaide naar ‘Dat’. Want ik wist zeker dat als de ‘depressie’ weer terug zou komen, ik uiteindelijk zelfmoord zou plegen. Het was een kwestie van leven of dood geworden. Wanneer ‘Het’ er weer was, probeerde ‘ik’ ‘Dat’ weer vast te houden. Naast het verlangen naar werkelijk Ontwaken, liet ook deze angst mij naar de satsangs van Djihi Marianne en Isaac Shapiro gaan. Als grap zei ik wel eens dat ik verslaafd was aan de ervaring van Bliss, maar eigenlijk was ik dat ook.

Ondanks de regelmatig terugkomende Bliss, Kalmte en Eenheid en het wegblijven van de ‘depressie’, nam een diepe ontevredenheid bezit van mij.
Dit was niet wat ik zocht, dit was niet het Uiteindelijke.
Ik was absoluut niet Ontwaakt !
Ik kon mijzelf op geen enkele manier meer voor de gek houden, geen enkele ervaring of inzicht kon me nog zoet houden.

Een paar jaar later ontmoette ik Randolph. Hij maakte me vertrouwd met de trucjes van de mind en dankzij hem ontdekte ik dat alle inzichten en ervaringen altijd eindig zijn en daarom steeds opnieuw herhaald moeten worden. Langzaam maar zeker besefte ik steeds dieper hoe ik mijn leven lang, als een kip zonder kop, elke keer weer had geprobeerd om dat ‘wat komt en gaat’ er altijd te laten zijn .
Eindelijk realiseerde ik me diep genoeg waar het niet te vinden was, wat het niet was.

Maar toch had ik nog steeds geen enkel benul van wat ‘het’ dan wel zou kunnen zijn. Het allerbelangrijkste bleef, net als de horizon, buiten mijn bereik.

Ik had sinds mijn 14e gezocht, de ene periode wat intenser dan de andere. Bij Randolph laaide de intensiteit van mijn zoeken steeds hoger op, totdat mijn leven elke seconde van de dag alleen nog maar om ‘Ontwaken’ draaide.
Geleidelijk begon het pijnlijke besef te dagen dat dat waar ik zo diep naar verlangde niet, echt niet, te vinden, te bereiken, te ontvangen, te realiseren was. Totdat uiteindelijk het kwartje viel dat ik mijzelf, of ik nu zocht of niet, al die jaren alleen maar in de weg had gestaan. En dat dit niet anders kon en dat niets of niemand, zelfs Randolph niet, mij nog verder zou kunnen helpen. Omdat het zinloos was op deze doodlopende weg nog verder te gaan, ben ik bij hem weggegaan.
Het mogelijke was ten einde, het Onmogelijke onmogelijk.

Bijna alle vluchtwegen waren ongedaan gemaakt en elke interesse of behoefte aan iets ‘anders’, iets ‘beters’ of  iets ‘nieuws’ de bodem ingeslagen. Het zoeken was gestopt, niet omdat ik dat wilde of beter vond, ook niet uit teleurstelling of frustratie, en al helemaal niet omdat ik hoopte dat wanneer ik zou stoppen met zoeken ‘het’ dan zou gebeuren. De zoektocht was gewoon ten einde. Zoeken en vinden waren uitgeraasd en neergedwarreld. Het onloochenbare Gemis en Verlangen bleven echter ononderbroken branden en waren dag en nacht mijn onafscheidelijke metgezellen.

In de maanden na ‘het stoppen’ verloren pijn en Verlangen elk houvast in mij en bleef, in het wegvallen van alles wat geen werkelijke waarde had, een intieme kwetsbaarheid over. Een kwetsbaarheid die blijkbaar aantrekkelijk was voor welke emoties of gedachten dan ook. Die, eindelijk bevrijd van zowel de leiband van het ‘ikje’, dat zich vreemd genoeg redelijk koest hield, als het toedekkende verstillen en oplossen door en in Vrede, Zijn en Waarnemendheid, naar hartenlust vrijuit en ongegeneerd konden razen, dansen, feesten en beesten. Deze kwetsbaarheid zocht geen bescherming, was niet bang voor de rauwe Waarheid van het dagelijkse leven en had niets ‘op te houden’ of ‘waar te maken’. Ook hier was het zoeken tot rust gekomen.
In deze intimiteit, zonder op iets of iemand terug te kunnen of willen vallen, verspreidde het Vuur zich, als bij een veenbrand, in de diepte. Bijna onopgemerkt en ondergronds, wachtend op het juiste moment om opeens hoog en alles verslindend op te laaien.

Hoe kon de Geliefde deze uitnodiging weerstaan?
De Geliefde kwam in Liefde, maandenlang, keer op keer, met het zwaard verborgen tussen haar vleugels en danste juichend mee, niet alleen met mijn eigen onvolmaaktheid, pijn en wanhoop, maar met die van alle mensen die ik kende, alle levende wezens, de hele aarde. Pijn en wanhoop waren de Geliefde.

Op een lentedag, doorboorde Haar zwaard onverwachts, met uiterste precisie, mijn Hart. Alles wat nog te bevatten was geweest, was niet meer te houden en stroomde buiten haar oevers. Tegen het ochtendgloren, in de armen van de Geliefde, in diepste verbondenheid met mijn ‘ikje’, ging ik volledig aan gruzelementen. De schijnbare tegenstelling tussen voluit leven en Transcendentie, tussen geraakt worden of niet, tussen willen en niet-willen, tussen Zijn en niet-Zijn, tussen komen en gaan, tussen Waarheid en Liefde loste op en het Hart raakte verloren.
Ver voorbij ‘Verlichting’ en ‘Realisatie’.

Alles viel woordeloos op zijn plaats.
Ik ben die ik ben, ik ben altijd al mijzelf geweest en kan niet anders dan mijzelf zijn. Ik ben geen lichaam, geen mind, geen persoon, geen ervaring en ik heb geen begin noch einde.
Ook al leek het wel zo, was dit nooit anders geweest. Niet mijn ego, noch mijn ‘ikje’ en mind al helemaal niet, maar ík heb altijd al door mijn ogen gekeken en met mijn oren gehoord. Ik ben Eén en kan me onmogelijk af- of opsplitsen in ‘ikje’ en ‘IK’. Niet alleen het ‘ikje’, het ego, was een illusie, maar ook ‘Ik’, ‘MIJ’, ‘het Zijn, ‘het Zelf’, No-Mind, ‘het Oorspronkelijke Gelaat’. Ik ben geen illusie. Niet alleen deze illusies, maar alles is van mij afhankelijk, komt samen in, en vloeit voort uit mij en ben ik.

Een minuscuul kleine onduidelijkheid was de oorzaak van al het zoeken en ‘vinden’, het drama van ‘mij en de ander’, de wortel van afgescheidenheid.

Ik ben mijzelf, de Ene. Ongeboren, Onkenbaar en volledig en onafscheidbaar en ononderscheidbaar Eén met welke verschijningsvorm dan ook.
In de verwarring van de mind leek het of het woordje ‘ik’ naar mijn ‘ikje’, mijn ego wees. In werkelijkheid was het woordje ‘ik’ al die tijd al de meest directe, volmaakte en heiligste verwijzing naar waar ik al die tijd naar had gezocht: naar mijzelf.

Oorsprong van en identiek aan vreugde, pijn, verdriet en angst, gedachten, ideeën en concepten, van verkramping, Vrede en Stilte, van Sat-Chit-Ananda, van Brahma en Atma, van ego en egoloosheid, van tijd en tijdloosheid, van het bestaan, van aandacht en Bewustzijn, van Aanwezigheid, van ‘Ik Ben’, van Kennendheid, van Alles en Niets, van Liefde en Waarheid, maar in, en als, mijzelf absoluut onkenbaar en vrij van alles.

De hele zoektocht bleek uiteindelijk slechts een droom te zijn geweest van een nooit werkelijk bestaand ‘ikje’ op zoek naar ‘iets’ dat het zelf had geschapen en in stand probeerde te houden. De droom is voorbij. Het ‘ikje’ heeft nooit los, of afgescheiden van mij bestaan, net zo min als ‘de ander’. Beiden ontlenen hun ‘echtheid’, essentie, bestaan en verschijnen aan mij.

Niets kan, of kon, mij verduisteren: Geen ‘ikje’, geen ego, geen enkele identificatie of drama, geen enkel besef van tijd, geen ‘onwetendheid’, geen weten noch niet-weten, geen geboren worden noch sterven, geen Zijn noch niet-Zijn, geen zoeken, geen verkramping, geen gedachten, geen Vrede, geen Bliss, geen vrijheid, geen enkele ervaring of inzicht. Alles is niets anders dan een uitdrukking van mij.

Maar ook dit bleek allesbehalve het einde te zijn.
Ook dit, had een begin, zelfs dit!
Dit was nog steeds geen Ontwaken.
Ook dit ‘Weten’, ook dit ‘Besef’, ‘stortte zich onmiddellijk juichend en dansend in de afgrond’ en werd volledig verzwolgen.

Alles wat ik nu, jaren later, met deze woorden, het hadden ook andere kunnen zijn, beschrijf, werd in minder dan die ene oogwenk duidelijk.

Dit was allesbehalve een Ervaring of Inzicht en speelde zich onbereikbaar ver buiten het bevattingsvermogen af, dit kon en kan niet begrepen noch ervaren worden. Dit Feit, de Waarheid ervan, ‘dit Zo Is Het’, deze Realisatie brak door en vaagde al het andere, al het ‘oude’ weg, dat als een zeepbel uit elkaar spatte. Het radicale effect van deze aardverschuiving op ‘Adjes’ mind bleek ingrijpend, alsof alles binnenstebuiten werd gekeerd en nooit meer in de oude staat teruggebracht kon worden.
Elk inzicht, elke ervaring, elk besef van ‘ik’, IK, ‘niet-ik’, en MIJ hadden elke mogelijkheid tot betovering of aantrekkingskracht definitief verloren.

In Stilte, Zijn en No-Mind verdween mind wel naar de achtergrond, maar stierf niet, nooit daadwerkelijk. Hoe kan mind sterven in Stilte, in Vrede, in Inzicht, in Liefde? Dit zijn juist de plekjes waar ego en mind zich heerlijk en geborgen voelen.

Daar kon de Geliefde de mind juist níet meer aanraken, daar had hij had zich sinds mensenheugenis veilig verborgen. Aanvankelijk in een zichzelf beschermend ‘ikje’ en later in zogenaamde ‘spiritualiteit’, in Vrede, Liefde, Zijn, Waarnemer zijn en Stilte, in Niet-Zijn. Onbereikbaar voor de werkelijke Aanraking.

Maar in keuzeloze, kwetsbare intimiteit met ‘wat is’, kon ’Adje’ niet overleven, het ‘ikje’ dat steeds weer als een feniks herrees.
De verwarring omtrent wie je werkelijk bent, is een verwarring die bestand is tegen elke spirituele ervaring, tegen Stilte, Vrede, Verlichting, Realisatie, Inzicht, definitie en definitieloosheid, zelfs Waarheid en Liefde.
De mind die door een kleine onduidelijkheid niet jou, maar jouw ‘ikje’ ging dienen en daarmee die verwarring ‘waterproof’ maakte tegen elk lijden, elke gelukzaligheid, elke aanraking van de Geliefde. De mind die daardoor het ‘ikje’ steeds subtieler, maar ook steeds steviger, in het zadel zette,  juist dankzij ‘spirituele’ ervaringen en inzichten.
De grootste vervulling en egotrip voor het ego is ‘Verlichting’.
De mind die zich gelijk aan God of het Goddelijke, zelfs het Absolute plaatste.

Ja, de mind wilde in zijn verwarring alles voor het ‘ikje’: Vrede, Stilte, Verlichting, Realisatie, zwevend als een Boeddha boven de aarde, altijd gelukkig, in vrede, alwetend. Ver voorbij het lijden van deze wereld, ver voorbij de angsten en onzekerheden.

Maar het was juist de kwetsbaarheid, die ontlopen werd in de Stilte, met de Vrede, door de Kalmte, onder de paraplu van de Liefde, die uiteindelijk de werkelijke bevrijding gaf. Na alles gevonden en bereikt te hebben wat je maar kan vinden, wat de mind kan vinden, zelfs ‘no-mind, daagde het allesomvattende besef van de uiteindelijke waarde-loos-heid en volledige onaantrekkelijkheid van dit alles.

De verwarring was ten einde.

Elke belangstelling voor een bepaalde ervaring is verdwenen, elk zoeken naar ‘iets anders’ of weggaan van ‘wat is’ is onmogelijk geworden. Thuis zijn is geen ervaring, thuis zijn is: nooit meer weg hoeven van ‘wat is’.

En wat is, is de Geliefde.

De Geliefde is de stilte voor de storm en de storm, is de hemel en de hel, de wanhoop en de Bliss, de bedwelmende geuren in het bos na de regen, het lawaai van de auto die voorbij scheurt, de boosheid en het lachen van mijn kinderen, het zingen van de engelen, de explosie van het Hart, de hartslag van het leven en de dood, elke gedachte en elk gevoel, het genot van de liefde en de pijn van het scheiden, het dwarrelende blad, de ondraaglijke pijn van het lijden op aarde, van de aarde zelf, die kreunt onder de gevoelloze tirannie van de mensen die betoverd zijn door hun mind, de onbeschrijfelijke gelukzaligheid en intensiteit van het leven..
Dit is de Aanraking, dit is mijn Thuis, dit is mijn Geliefde.
Mijn Geliefde die mij alles ontnam, zelfs mijn Wezen, zelfs mijn Zijn, zelfs mijn Ik, zelfs mijn Zelf, zelfs mijn Geliefde en mijn Mij(n).

Wanneer, wat, hoe, waar, waarom, wie…?

Deze vragen blijven voor altijd onbeantwoord.

De Geliefde Leeft..

Wat een Zegen…

Ik claim niets, geen ‘Verlichting’, geen ‘Zelf-Realisatie’, geen ‘Inzicht’, ik ben nergens aangekomen, heb niets bereikt, heb niets te geven, heb geen missie noch boodschap. Ik spreek niet uit naam van een traditie, stroming of leraar, niet eens uit naam van mijzelf. Wanneer jij van mij of wie dan ook, al of niet iets ‘bijzonders’ maakt, heb jij het voor jezelf onmogelijk gemaakt echt te luisteren en te ontdekken.

Vergeet dit verhaal, het zijn maar woorden, niets meer, niets minder.
Deze woorden zijn slechts ‘stof in de wind’.
Op geen enkele manier kunnen deze, noch andere woorden het Onbeperkte, het Leven Schenkende, bevatten noch beschrijven.
Ze kunnen er zelfs niet eens naar (ver) wijzen.
Als boodschappers van wat Werkelijk is, zijn ze daarom volstrekt waardeloos.
Toch genieten ze ervan te dansen, te zingen en de geur van de Geliefde met zich mee te dragen.

Overstromend van dankbaarheid,

Ad

Top
Adsang